Oprispingen
editie 98-05
door Adrie van Geffen
Het wil maar niet sneeuwen. Zelfs een hagelbuitje blijft ons bespaard. Het weer is zelfs aldus dat ik het in mijn hoofd haal om, tegen de gewoonte in maar op doktersadvies, enkeldaags de kuierlatten te nemen en - ik krijg het woord haast niet uit mijn toetsenbord - te gaan wandelen. Met het zachte weer gaat dat wel. Toch nog goed ingepakt, een koutje is zo gevat, maar niet overdadig in wollen sjaal en wanten. Nu kan het nog, want straks is het weer veel te warm en dan is de lol er ook gauw af. Het genoegen blijft natuurlijk altijd de laving na gedane arbeid. Uitspanning na inspanning, zogezegd.
Om een beetje lekker te wandelen is het prettig als de schijn van schone lucht wordt opgehouden. Struikje, boompje, beestje. Want de flats van Rotterdam, doorkruist met blikbezette wegen zijn niet echt uitnodigend. Bij wijze van vakantie bracht ik als kind veel tijd door in het Zuiderpark. Thuis werd van alles klaargezet en ingepakt, en sjouwend met deken, klapstoeltjes, ballen, boeken en thermoskannen werd de gang gezet naar het favoriete veldje in het park om daar de dag door te brengen. Daar ontmoetten we ook andere familieleden. Waar het in de oude wijken van Rotterdam gewoonte was op straat te keuvelen met de buren, zo gebeurde dat in Pendrecht en Zuidwijk in het Zuiderpark.
Als het erg warm was gingen we zwemmen in de kanovijver. Het voordeel hiervan is dat ik nu tamelijk immuun schijn voor allerlei ziekten. En met de jongens uit de buurt hadden we een voetbalclubje opgericht. Eens per week een balletje trappen op weer een ander veldje totdat het zo donker was geworden dat je de bal niet eens meer kon zien.
Vorig jaar is er een enquête gehouden over het gebruik van het Zuiderpark. Deze deed al vermoeden dat er iets gaande was. Natuurlijk hebben we de kunstijsbaan en de Plompert ter ziele zien gaan, heeft Metropolis het nodige aan karakter ingeboet, is AHOY bezig met verbouwen, zou het Zuiderparkhotel verhuizen naar naast het sportcomplex en is er nog immer sprake van een bioscoopcomplex in die buurt. Al met al voldoende aanleiding om er maar weer eens een kijkje te gaan nemen, weer eens lekker te kuieren over de zo vertrouwde schelp-asfaltpaden en iets te drinken aan de kanovijver.
De deceptie begon al bij de aanblik van Pendrecht en Zuidwijk. De unieke opbouw van de wijken, met veel groen, wordt op dit moment ontegenzeglijk teniet gedaan door het stallen van hoge flats op plekken waar zich eerder de grasvelden met rozenperkjes uitstrekten.
 Een gevoel van onbehagen bekruipt me als ik de eerste stappen in het park zet. Het oogt als een uitlaatplaats voor honden, want daarvan is een overmaat aanwezig. De verwaarlozing van grasvelden valt op, sommigen zijn geheel aan hun lot overgelaten en doen verwoede pogingen een bos te worden. Al snel stuit ik op het veldje waar we vroeger voetbalden. Het is omringd door hekwerk en er staan welluidende borden: "Baggerdepot" en "Levensgevaarlijk. Drijfzand".
De volkstuintjes ernaast staan er nog, maar wanneer gaat de NAM er weer eens lekker naar olie boren? Ondertussen kabaalt de metro op enige afstand boven de bomen langs. Ik zwenk naar rechts, richting kanovijver. De lust om iets te gaan drinken in het restaurant aldaar is mij al ontgaan. Overal waar ik kijk zie ik kranen, bulldozers en zandhopen. Ook blijft de bebouwing permanent in zicht. Daar waar vroeger het hoofdpodium van Metropolis stond, tot daar reikt de bouwgrond. Gras en paden zijn verdwenen, slechts een nieuwe parkeerplaats van AHOY is zichtbaar. Smakeloze muren van het nieuwe AHOY, zo smakeloos als van het bioscopencomplex op het Schouwburgplein, benemen het verdere uitzicht.
Ook het veldje waar wij zo vaak vertoefden heeft het inmiddels moeten ontgelden. Waar vroeger nog een pad was richting Plompert rechts en ijsbaan links, wordt nu gegraven en gedaan. De bulten grond die de afgebroken Plompert jarenlang had achtergelaten waren nog beter te pruimen dan deze zooi.
Teneergeslagen zet ik mijn weg voort langs de achterkant van de velden van Zwart-Wit '28. De brug over de Vaanweg, voorzien van de nodige hindernissen voor fietsers, beklauter ik en bovenaan gekomen overzie ik het slagveld. Dit is geen park meer, hier is absoluut geen lol meer aan. Om als Rotterdammer te kunnen recreëren heb je een auto nodig. Het gezegde gaat dat als je bomen wilt zien, je dan niet in de stad moet gaan wonen. Is het in Noord zo dat boomrijke plekjes zijn omsloten door de bebouwing, op Zuid was dat altijd open en was er het Zuiderpark. Heel duidelijk: was.
Want zo is het precies niks. Wat mij betreft kunnen die laatste bomen nu ook wel worden neergepleurd. Gooi maar vol met bebouwing, maak er een super-mega-parkeerplaats van. Kan mij het donderen. Mijn jeugd is opgegaan in een baggerdepot, de geschiedenis is verdwenen in drijfzand. Het Was.
|